• molovich

Het draaiorgel

Zaterdagmiddag stond er aan het eind van de straat ineens een draaiorgel te spelen. Het was koud en winderig, maar de zon scheen. Op de plek waar het draaiorgel stond hadden wij ’s ochtends met een paar buren koffie in het zonnetje gedronken. De stoelen op anderhalve meter afstand. We waren de hele week zo veel mogelijk binnen gebleven en hadden contact gemeden. We spraken over thuisscholing, over beklemming, over de zelfdestructieve neiging alles te willen lezen, over de zorgen over oude ouders, over de zorgeloosheid van onze kinderen, dat soort dingen.


Na de koffie ging ik met mijn dochter tennissen op de open tennisbanen van Hogeschool Windesheim. Op de parkeerplaats kreeg iemand motorrijles. Vlak naast het spoor werd een jonge vrouw getraind in kogelstoten. Ik zag een affiche van Spinvis, die 11 maart had moeten optreden in Zwolle. ‘Blijf gezond en kom terug’ stond erop.


’s Middags wandelde ik naar de toko om rode pepers, limoenblaadjes en gemberwortel te halen. Op de deur hadden ze een briefje geplakt. Dat er niet meer dan twee personen tegelijk naar binnen mochten. Ik was de enige klant. Niet lang na mij kwam een tweede. Hij nam alle verse laos mee die er in de bakken lag. De import was gestopt, vertelde de eigenaresse mij even later. Een vrouw deed de deur open. Ze vroeg wat er nu precies van haar verwacht werd. Moest ze buiten wachten? Van de eigenaresse mocht ze binnenkomen. De laoshamsteraar vond het ook prima. ‘We gaan allemaal een keer dood’, zei hij. Zijn moeder was vierennegentig. Woonde nog op zichzelf. Maakte zich nergens druk om. Van mij mocht de vrouw ook binnenkomen. We hielden afstand. ‘Blijf gezond’, zei de eigenaresse toen ik vertrok. ‘En kom terug’, dacht ik er achteraan.


Tijdens het wandelen luister ik naar een podcast over het periodiek systeem. Koolstof was aan de beurt. In de jaren ’40 begonnen de Amerikanen atoombommen tot ontploffing te brengen. Eerst in New Mexico. Later op Hiroshima. Daarna begonnen er meer landen in de wereld kernproeven te doen. Dat zorgde voor de nodige radioactiviteit in onze atmosfeer. Een van de stofjes die ineens in veel grotere mate aanwezig was, was de isotoop koolstof-14. Dat zit overal. Niet alleen in de lucht, ook in ons lichaam. En in al onze cellen. Doordat ze sinds eind jaren ’40 dagelijks bijhouden hoeveel koolstof-14 er in de atmosfeer zit, kun je dat vergelijken met het C14-gehalte in je cellen. Leg dat naast elkaar en je kunt precies zien hoe oud je alvleesklier is. En hoe oud je milt. En je prefrontale cortex. En dat je huid zich elke twee weken ververst. En dat vetcellen zo’n twaalf jaar meegaan. De cellen van een zeker deel in je hersens worden het oudst. Maar ook weer niet zo oud dat ze alle herinneringen die ze zich herinneren hebben meegemaakt.


Op de terugweg loop ik door het park. Bij de skatebaan stikt het van de skatende jongeren. Schieten nonchalant langs elkaar. Delen joints. Eten uit dezelfde chipszak. De onkwetsbaren. Samen chillen op de rand van de vulkaan. Ergens denk ik dat dit precies de bedoeling is. De kwetsbare sluiten zich op, de onkwetsbaren worden immuun.


In de Jumbo koop ik kip, sjalotten en dropjes en merk ik weer hoeveel moeite je moet doen om die anderhalve meter afstand te bewaren. De ander ontwijken gaat niet vanzelf. De meesten doen geen enkele moeite. Sommige wel. Daar heb je dan ook meteen een bepaalde verstandhouding mee. Althans, dat idee heb ik. Maar misschien zijn het gewoon beleefdheidsknikjes die we uitwisselen, helemaal geen herkenningsknikjes.


Ik wrijf de kip in met tamarinde. Doe pepers, gemberwortel, knoflook, sjalotten, geelwortel, komijn en laos in een kommetje en staafmix het tot een papje. Tien minuutjes fruiten. Daarna 450 ml kokosmelk bij. Vervolgens de kip, gekneusd citroengras, limoenblaadjes en laurier. De podcast gaat inmiddels over het kleurloze edelgas xenon. Ik ben niet meer heel erg goed aan het luisteren, maar als ik het goed begrijp bevindt zich in een oude goudmijn in South Dakota de stilste plek van het universum. Stil als in: geen interactie tussen verschillende deeltjes. De plek is zo stil dat je er donkere materie zou moeten kunnen waarnemen. Donkere materie is overal, maar heeft zo goed als geen interactie met andere deeltjes. En daardoor is het onmeetbaar. Maar hier, op de bodem van die oude goudmijn, misschien wel. ‘Als we iets opvangen’, zegt een van de wetenschappers, ‘is het alsof het universum ons iets toe wil fluisteren.’ Het is nog niet gelukt. Er is nog geen apparaat gevoelig genoeg om het gefluister van het universum op te vangen.


Buiten jubelt het draaiorgel. Toen ik klein was vond ik het fantastisch, nu verschrikkelijk. Vooral al die glissando’s waarmee de leegtes tussen verschillende noten zo nodig moeten worden opgevuld, stuiten mij, als liefhebber van een meer minimalistische aanpak, tegen de borst. Ik verstop me achter mijn telefoon als ze met draaiorgel en rinkelende centenbakjes langs ons huis lopen. Even later klopt mijn dochter op ons raam. Ze straalt. Ik ga naar de deur. ‘Kijk’, zegt ze. Ze wijst op het draaiorgel. Alsof ik het had kunnen missen. Ik vraag of ze wat geld wil geven. Dat wil ze wel. Ik kijk in mijn portemonnee. Vijf euro. Ik geef haar de vijf euro. Aan de overkant is woensdagavond een meisje geboren. Een briefje voor de deur vertelt dat pakketjes op de grond mogen worden neergezet. Mijn dochter rent naar het draaiorgel, doet het geld in het muntenbakje en begint te dansen. Andere kinderen dansen ook. De man van het draaiorgel glimlacht van oor tot oor. Ik ken het nummer, maar kan het niet thuisbrengen. Het is een vrij recent nummer volgens mij. Met een wat weemoedige ondertoon. Wanneer ik als kind in de winkelstraten van Gorinchem of Den Bosch een draaiorgel zag, bleef ik altijd stokstijf kijken naar het wonder dat zich voor mijn ogen voltrok. Geen cel meer in mijn lichaam dat die momenten heeft meegemaakt. Maar de herinnering zit er nog wel. Ergens diep weggestopt in een of andere cortex. De cellen die het zich herinneren geven het door aan andere cellen, verspreiden zich razendsnel door mijn lichaam en voordat ik het goed en wel door heb, zitten ze in mijn keel, persen ze zich naar boven en schieten de tranen me weer eens in de ogen. Er is geen lang met mij te bezeilen dezer dagen.






16 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven